(Wijboschbroek, gemeente Meierijstad)

Het voormalig Schijndelse heidelandschap bestaat uit het Wijboschbroek bij de dorpen Schijndel en Wijbosch. Dit is geen heidegebied, maar een bijzonder leembos met een rijke cultuurhistorische achtergrond. Namen op de kaart van Schijndel, zoals de Rooise Heide en de Molenheide, verraden dat er lang geleden wél heidevelden rond het dorp lagen; de boeren hielden er schapen om de schrale zandgrond te verbeteren, tot de komst van kunstmest de meeste kuddes overbodig maakte.

In 1990 kwam er dankzij herder Cor Siegenthaler een nieuwe Schijndelse kudde, destijds nog van Zwartbles schapen, die werd ingezet om de natuurgebieden van Staatsbosbeheer en de gemeentelijke bermen te begrazen. Tegenwoordig bestaat Schaapskudde Schijndel vooral uit Kempische heideschapen, aangevuld met Drentse en Schoonebeker heideschapen, samen 55 dieren, en werkt de kudde van 1 april tot 1 november in opdracht van Staatsbosbeheer en de gemeente in onder meer het Wijboschbroek en de Smaldonk. Sinds 2013 is de Schaapskooi bovendien een erkend educatief centrum van de Stichting Zeldzame Huisdierrassen.

Wie Wijboschbroek zegt, denkt aan populieren, klompenindustrie, boomweides en hopteelt, activiteiten die eeuwenlang het gezicht van dit landschap bepaalden. Oorspronkelijk was het gebied een moerasbos; naarmate de bomen werden gerooid en er akkers voor in de plaats kwamen, bleef de grond, zoals de naam al zegt, een broek: nat en moeilijk te bewerken. Pas eind negentiende eeuw gaven de boeren dit op, waarna het terrein werd opgehoogd en opnieuw beplant, het begin van het Wijboschbroek zoals we het nu kennen. De eerste aanplant bestond uit populieren, waarvan het hout voor klompen werd gebruikt; in de wijde omgeving van Schijndel stonden rond 1800 zo'n 120.000 populieren, goed voor circa zes miljoen paar klompen. Na 1945 kwamen daar naaldhoutsoorten als fijnspar, douglas, lariks en grove den bij. Ook de hopteelt in Schijndel gaat ver terug: al vanaf ongeveer 1400 werd er hop verbouwd, vanaf de achttiende eeuw stond het dorp er nadrukkelijk om bekend, en vanaf 1755 werd de hop gewogen in grote hopwagens. De vruchtbare leembodem maakte het gebied zo geschikt voor kleinschalige landbouw en ambachtelijke nijverheid, lang voordat de moderne industrie haar intrede deed.

Flora en fauna: dit mozaïek van natuur en cultuur biedt een ideale leefomgeving voor de das, die hier zijn burchten graaft in de zachte leembodem. De zwarte, groene en grote bonte specht zijn vaste bewoners van het oude hout, terwijl de wielewaal het gebied in de zomer met zijn fluitende roep een exotische sfeer geeft. In het voorjaar kleurt de bosbodem geel en wit van bosanemoon en slanke sleutelbloem, en groeien er ook zeldzamere soorten als eenbes en blauwzwarte rapunzel; later in het jaar verschijnt hier zelfs wilde hop, een herinnering aan de oude hopteelt.